Blog

Onze experts schrijven elke week nieuwe artikelen over de WIV

Delen van ongeëvalueerde gegevens

13 maart 2018 -

De AIVD en MIVD krijgen van de WIV 2017 de bevoegdheid ongeëvalueerde gegevens te verstrekken aan buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten en internationale beveiligings- en inlichtingenorganen.1 Ze mogen dus gegevens waarvan ze de inhoud niet kennen delen.

Er zijn tal van scenario’s denkbaar waarbij er per ongeluk gegevens in verkeerde handen komen. Afhankelijk van de bron van de gegevens is het denkbaar dat er bijvoorbeeld gegevens over bronnen van journalisten, staatsgeheimen, gegevens die buitenlandse oppositiegroepen (die door de Nederlandse overheid gesteund worden) kwetsbaar maken, of communicatie tussen mensenrechtenadvocaten en hun cliënten zitten, zonder dat de Nederlandse inlichtingendiensten dat in de gaten hebben. De AIVD en MIVD zullen dit risico proberen te beperken, maar andere belangen kunnen een reden zijn dat ze dit risico toch maar voor lief nemen.

Het hoofd van de AIVD, Rob Bertholee, heeft aangegeven2 dat het delen van ongeëvalueerde gegevens nodig is wanneer er bij een huiszoeking bij terroristen grote hoeveelheden gegevens worden gevonden en er de vrees is dat als die niet snel genoeg geanalyseerd worden er een aanslag gepleegd zal worden. Dat is een zeer specifieke toepassing van deze veel ruimere bevoegdheid. De bijvangst van bijvoorbeeld onderzoeksopdracht gerichte interceptie bestaat ook uit ongeëvalueerde gegevens en mag dus ook gedeeld worden met buitenlandse diensten. Indien de inlichtingendiensten een bevoegdheid nodig zouden hebben voor het delen, van ongeëvalueerde gegevens die aangetroffen zijn bij doelwitten, dan ligt het voor de hand daar een specifieke bevoegdheid voor op te nemen in de wet. De nieuwe bevoegdheid staat echter het delen van alle gegevens toe, zonder dat daaraan duidelijke grenzen zijn gesteld.

De inlichtingendiensten ruilen en kopen altijd al gegevens van buitenlandse diensten en van informanten.3 Het ruilen gebeurd op basis van artikel 36 van de WIV 2002. Van de WIV 2002 mogen er wel mededelingen gedaan worden op basis van gegevens, maar mogen ongeëvalueerde gegevens niet gedeeld worden met buitenlandse diensten. Het kopen van gegevens gebeurd op basis van de regels voor informanten. Er is kritiek hierop aangezien dit wel een hele bijzondere soort van informanten is en er daarom misschien een specifieke wettelijke regeling voor nodig is.

De AIVD en MIVD en hun voorgangers BVD en MID (en hun “gezamenlijke” afluisterorganisaties SCIV/TIVC en BRD) waren zeer bedreven in het afluisteren van radioverkeer. Behalve direct te ontvangen radioverkeer waren ze ook in staat door de ionosfeer weerkaatst radioverkeer te ontvangen dat normaal gesproken niet te ontvangen zou zijn. De Nederlandse inlichtingendiensten hebben hierdoor al sinds jaar en dag de reputatie goed geïnformeerd te zijn. Zij zijn dus altijd een aantrekkelijke samenwerkingspartner voor buitenlandse diensten geweest.

De AIVD en MIVD hebben een goede samenwerkingsrelatie met buitenlandse diensten nodig om hun taken uit te kunnen voeren. Die relatie bestaat voor het grootste deel uit de uitwisseling van gegevens. De gegevens die door deze samenwerking worden verkregen, bepalen in belangrijke mate de bestaande informatiepositie van de AIVD. Het stoppen met het uitwisselen van gegevens is dus geen optie voor de inlichtingendiensten. Het discussiepunt is welke gegevens onder welke voorwaarden met wie gedeeld mogen worden.

Alvorens een samenwerking wordt aangegaan met een buitenlandse dienst moet er een belangenafweging gemaakt te worden. Daarbij moeten de democratische inbedding van de dienst in het desbetreffende land, de eerbiediging van de mensenrechten door het desbetreffende land en de professionaliteit en betrouwbaarheid van de desbetreffende dienst betrokken te worden.4 Dit betekent niet dat er harde eisen, of waarborgen zijn op deze vlakken.

Als er waardevolle informatie te krijgen is mogen de AIVD en MIVD besluiten dat democratie en mensenrechten niet zo belangrijk zijn. Het gebeurd ook dat het belang van de buitenlandse dienst bij het ontvangen van informatie een doorslaggevende reden is voor het delen van informatie door de AIVD en MIVD. Zo wordt de quid-pro-quo balans in stand gehouden en krijgen de Nederlandse diensten daar later meestal iets voor terug.

De CTIVD heeft in 2009 een rapport uitgebracht over samenwerking met buitenlandse diensten. Uit dat rapport komt naar voren dat de belangenafweging, die verplicht is bij samenwerking, sinds de aanslagen van 9 september 2001, vaak niet zorgvuldig genoeg gebeurde. Ook besloten individuele analisten doorgaans over het al dan niet delen van gegevens zonder dat voor te leggen aan teamhoofden. Naar alle waarschijnlijkheid hebben de diensten het rapport ter harte genomen en de belangenafweging en het toezicht verbeterd. Het is echter niet bekend of de belangenafweging volgens de CTIVD nu wel zorgvuldig genoeg gebeurt.

De brede bevoegdheid tot het delen van ongeëvalueerde gegevens vindt zijn oorsprong niet alleen in de terrorisme casus zoals beschreven door Bertholee, maar ook door de wens van de diensten om een interessante samenwekringspartner te zijn. Daarvoor willen de diensten meer informatie kunnen bieden aan buitenlandse diensten dan dat die diensten zelf kunnen vergaren. In het kader van het referendum over de WIV 2017 moet iedereen afwegen of de aantrekkelijkheid van de Nederlandse diensten hen het gevaar van het per ongeluk delen van gevoelige informatie waard is.


  1. Artikel 64 [return]
  2. De zin zit bij timestamp 36:12 [return]
  3. Informanten zijn alle mensen en bedrijven die vrijwillig informatie geven aan inlichtingendiensten. Ook als de inlichtingendiensten betalen voor informatie geldt dit al het vrijwillig geven van informatie. [return]
  4. Artikel 88 lid 3 [return]